Overgeleverde knipsels

Onlangs kochten we op een markt voor een paar tientjes een aantal knipsels van Wiecher Tjeert Lever. Levertjes zijn nog wel regelmatig te koop. Hij heeft er ook zoveel gemaakt in de ruim 35 jaar van zijn knippende leven. En zoveel duizenden bezoekers hebben ze onder zijn schaar vandaan gekocht. Geleidelijk aan komen nu uit de boedels van mensen die ooit het Museum van Knipkunst bezochten, zijn knipsels weer op de markt. In 1981 kwam er door een verkeersongeluk een plotseling eind aan zijn productieve leven.
Naar aanleiding van onze aankoop leek het ons goed om weer eens iets over deze pionier te vertellen. Kunsthistoricus Henk van Ark heeft als drijvende kracht achter de Stichting W.Tj. Lever veel over zijn schoonvader geschreven.

Een van onze nieuwe aanwinsten, een vaas met bloeiende kamperfoelie, stamde uit zijn eerste periode in Muntendam (midden Groningen). Die tijd, omstreeks 1950, willen we nog eens uitlichten.
Lever had in dat dorp zijn atelier “De Meeuw” en was al sinds de oorlog actief aan het knippen. Hij raakte geïnteresseerd in wat knippers vóór hem gemaakt hadden en waar zij hun inspiratie en beelden vandaan hadden. Lever reisde veel als vertegenwoordiger, maar probeerde een bestaan als knipper op te bouwen. Hij gaf door het hele land demonstraties, ook in silhouetteren werd hij een meester. Bovendien had hij er slag van om de aandacht te trekken van journalisten, waardoor hij een bekende persoon werd. En dat kwam niet in het minst door de uitgesproken ideeën die hij uitdroeg over kunst, volkskunst, politiek en geloof. In het kleine wereldje van naoorlogse knippers gaf dat soms een wat ongemakkelijke verhouding. Met name verafschuwde Lever de manier waarop Hil Bottema in het Nederlands Openluchtmuseum oude vormen uit de kunstnijverheid, zoals harten en levensbomen, ingang probeerde te laten vinden bij de nieuwe generatie onderwijzers en knippers. Voor het goede begrip: de Duitsers hadden voor en tijdens het nationaal-socialistische bewind de volkskunst opgeblazen als het volkseigen van het Arische ras, dus zouden die oude (Germaanse) vormen ons in het bloed zitten. Lever moest hier niets van hebben. Tussen hem en Hil is het nooit meer goed gekomen.

Kerst: aankondiging en geboorte

Met wie hij wel een goede verhouding had, was de “folkloriste” Line Huizenga-Onnekes, een oude dame die veel volksverhalen in het Groningerland had opgeschreven en die zich voor de geschiedenis van het knippen was gaan interesseren. Line wilde een boek schrijven over de knipkunst en Lever werkte daar graag aan mee, omdat hij bij zijn vele activiteiten overal in het land oud knipwerk was tegengekomen. Hij speurde naar de herkomst en de makers en had zo een grote kennis opgebouwd. In die tijd van samenwerking lezen we in de briefwisseling veel over wat hen bond en waarin ze met elkaar van mening verschilden. En Lever nam daarin niet altijd een blad voor de mond. Hij schreef wat hij vond, met name over andere knippers. Omdat Line Huizenga met alle knippers goede contacten wilde houden (onder andere met Hil Bottema), werden er nogal eens harde noten gekraakt in de briefwisselingen. Daaruit leren we wel heel goed hoe Lever dacht over volkskunst en over zogenaamde levensbomen, die in de volkskunst zo vaak voorkomen. Lever zag daarin niet zozeer een diepe betekenis, maar een makkelijke (symmetrische!) manier om een aardige vorm te maken.
Intussen kreeg Lever steeds meer oud en nieuw knipwerk onder ogen, restaureerde beschadigde stukken en vaak vervaardigde hij ook geknipte kopieën voor zijn groeiende verzameling. Maar van een gezamenlijke beschrijving van de Groningse knipkunst is het niet gekomen. Wel maakte hij in 1953 zelf een soort knipleergang “Op nieuwe wijs, naar oude trant”, niet als concurrent van het gezamenlijke plan, maar als propaganda om mensen te stimuleren zelf te gaan knippen en “om het werk van het Openluchtmuseum en haar propaganda die ook enigszins hol is, in bedwang te houden”. Intussen helde Line er steeds meer toe over om het boek zelf te schrijven en Lever zag aankomen dat het een lijvig geheel werd, dat wel meer dan ƒ 30 zou gaan kosten. Toch bleven ze tot aan Line’s overlijden met elkaar in contact en profiteerde zij van zijn alsmaar groeiende kennis over de knippers van vroeger. Lever heeft altijd ontzag voor haar gehouden en bleef haar steeds “Mevrouw H.” noemen.

Concept omslag

Van een boek is het niet gekomen, maar Lever had nog wel een ontwerp voor de omslag geknipt. Line is in 1956 gestorven met het volledige manuscript “Juweeltjes van knipkunst” onder haar bed. Wij kregen het in beheer en hebben in de loop van de jaren dankbaar gebruik kunnen maken van de door haar bijeen geschreven kennis van Lever en van haarzelf. Veel van haar onderzoek is verwerkt in ons boek Geknipt! (2008).

Hier volgt een aantal citaten uit de brieven die Wiecher Lever aan Line Huizenga stuurde.

16 augustus 1948:
Misschien is het mogelijk om in de toekomst een werkje over knipkunst te doen uitgeven waarvan U het Historisch en ik het gedeelte over de techniek kan verzorgen… Ik zie het gaarne dat U mijn naam noemt als ontdekker van Geert Jager [Groninger knipper omstreeks 1900]… Dit is niet uit ijdelheid of eerzucht, maar uit behoefte aan steunende reclame. U mag gerust van alle door mij aan U gedane mededeelingen gebruik maken…

5 maart 1952
Weest U niet bezorgd dat ik U in de steek laat. Hierbij in haast een flink stuk werk. Het hoofdstuk Knipkunst als volkskunst. U ziet wel, ik heb de beschouwing niet in scherpe stijl gezet, maar geprobeerd ze als één geheel te brengen.

4 september 1952
Anders sta ik tegenover Uw mening omtrent levensbomen. Volgens mij kent de spontane volkskunst deze vormen niet. Ik heb soms het idee dat dit primitief werk vaak gebrek aan fantasie is… Misschien ben ik te nuchter.

18 september 1952
Waar koersen wij heen. We zijn overeengekomen samen een boek te schrijven, waarvan ik het hoofdstuk “Volkskunst”. Nu verwerpt U beider namen als samenschrijvende en zoekt U een uitweg voor mijn naam… Volledig heb ik mij gegeven en ik ben bereid dit verder te doen, doch met alle respect voor Uw ervaringen, durf ik mij toch wat de knipkunst betreft, de meest ervaren en geroutineerde werker te noemen.

6 mei 1953
Kunst en volkskunst kunnen m.i. wel door dezelfde beoefend. Ik zie daarin niet de graad van bekwaamheid maar de bron waaruit de vormgeving geput wordt.

Line schrijft op 8 mei 1953 en citeert een andere knipper, die “vindt dat U fantastisch goed knipt, maar dat u jammer genoeg niet verder komt dan duivehok, vogels, watervogels, herten en bloemen. Veel copieërwerk. Een beetje gelijk heeft hij, vind ik wel.”

6 juni 1953, over het onderscheid tussen Kunst, Kunstnijverheid en Volkskunst
Ik spreek liever van geschoolde kunst (intellectueel) en volkskunst (godsdienstige of omgevingsmotieven) en vat dit samen in het begrip KUNST, in tegenstelling tot kunstnijverheid die ik vaak als souvenier industrie zie (decoratie door ontwerpers en nawerkers).

6 december 1954, de werkwijze van Hil Bottema zit hem nog steeds dwars
U noemt mij niet erg gemoedelijk en schrijft: geeft ook anderen de ruimte. Voor de oude werkmethode (eenvoudig en verfijnd) is door haar [H.B.] iets eigenzinnigs in de plaats gekomen, een systeem, dat vloekt met de werkelijkheid.

Wiecher Lever met dochter Tobia, 1961

Zijn waarheid en werkelijkheid waren Wiecher Lever heilig en zo nodig moest het maar op een minder vriendelijke manier gezegd worden. Die felheid was ongetwijfeld deel van zijn karakter, maar we zien het vaak terug bij bekeerlingen (hij had zich als volwassene laten dopen). Line Huizenga heeft hem er herhaaldelijk op gewezen dat er plaats moest zijn voor andere ideeën in de ontwikkeling van de Nederlandse knipkunst, maar Wiecher is zijn eigen weg gegaan.
Hij verhuisde in 1960 van Muntendam naar Roden en in 1965 naar Westerbork. Vanaf 1972 kenden wij Lever en zijn collectie, maar we merkten al snel dat Joke, als knipster, in gesprek met hem omzichtig tewerk moest gaan. Van zijn grote kennis en verzameling hebben we gebruik gemaakt voor ons boekje Schaarkunst (1983).
In 1988 werd de collectie Lever geveild en die bleef gelukkig voor het belangrijkste deel in Nederlands bezit. Wij hadden het geluk een aantal historische stukken aan te kunnen kopen, dank zij goed overleg tussen de verschillende belanghebbenden. En nog steeds kijken we op marktplaatsen en veilingen of we niet een karakteristiek Levertje kunnen bemachtigen. We hebben er intussen zo’n 40, uit wit papier op zwart of omgekeerd, gesigneerd en netjes in kleine lijstjes gezet. Je herkent ze uit duizenden, maar hij heeft er dan ook duizenden gemaakt. Hij moest er van leven en dat maakte zijn producten enigszins voorspelbaar. Naar onze smaak is het de grootste verdienste van Lever geweest dat hij het ongebonden knippen heeft gepopulariseerd aan de hand van wat knippers vóór hem gemaakt hadden.

Bronnen:
Het archief van Eiline Huizenga-Onnekes (in ons beheer)
J.H. Kruizinga, ‘De tovenaar van Muntendam’, in: De Vriend des Huizes 68 (1952) 481-483.
Henk van Ark, Wiecher Tjeert Lever (1917-1981). Een kunstenaarsleven in knipsels, (Uitg. St. W.Tj. Lever, Rasquert, 2010).

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Knip-Pers 1998-4 (bijgewerkt november 2020)